Hierzie, dingske!

Af en toe is er iemand die de moeite doet om het me te vragen, of ik vanzeleven nog ga bloggen. Meestal recht ik dan mijn rug, kijk ik ietwat verongelijkt en antwoord ik dat ik uiteráárd mijn blog terug nieuw leven ga inblazen.

“Bloggen is intussen stilaan zo old school dat het weer hip is. En ik vind het ook jammer dat haast niemand de moeite nog neemt om dingen te vertellen in meer dan twee slecht geschreven zinnen”, zeg ik dan. Of iets in die aard, zoals “Ik snap het wel hoor: een halve gedachte in een tekstvakje duwen en op het internet pleuren is ten slotte makkelijker dan zorgvuldig iets opbouwen in een blogpost.”

In werkelijkheid kom ik echter zelf niet verder dan gemiddeld één post per twee maand. Talking the talk, dat wel. Maar als de walk moet gewalkt worden, dan zie je me niet.

Dat heeft deels te maken met de Duistere Passagier die me op mijn weg vergezelt. Niet dat ik me ‘s avonds bezighoud met het doorsnijden van kelen en het in stukken snijden mijner medemens — de parallel met Dexter gaat ook maar zo ver — maar mijn donker kantje is bijwijlen erg prominent aanwezig. En dan begin ik al wel eens dingen neer te pennen die droevig, zwaar en overdreven dramatisch klinken en waar jullie eigenlijk geen zaken mee hebben, besef ik dan na het tikken.

Bovendien wordt het moeilijker om terug te beginnen bloggen naarmate je het minder doet. Gek eigenlijk, want je zou net denken dat hoe langer zo’n stilte duurt, hoe meer je te vertellen hebt. Daar komt dan nog eens bij dat zo’n herintrede ook best veel druk met zich meebrengt. Want het moet natuurlijk wel een beetje goed zijn — anders kan je even goed op een willekeurige krantensite wat willekeurige letters uit je toetsenbord persen.

Allemaal dingen waar ik royaal mijn voeten aan ga vegen. Want eigenlijk heb ik wel zin om hier eens wat vaker terug op te duiken. Ik weet intussen ook wel beter dan beloftes te verbinden aan zo’n uitspraken en daar dan achteraf schoorvoetend op te moeten terugkomen, dus houd ik het gewoon op “wat vaker”.

Goeie deal? Ik vind van wel.

Drie jaar

Een druilerige maandagmorgen. De wandeling naar het werk, door de straten van Antwerpen, is nog net iets troostelozer dan anders. De oortjes van mijn iPod fluisteren een lied dat altijd mijn onverdeelde aandacht krijgt. Om veel verschillende redenen, maar vandaag vooral omwille van deze zin:

Get to know your parents, you never know when they’ll be gone for good.

Iedereen klaagt wel eens over zijn moeder. Omdat ze zaagt. Omdat ze niet helemaal begrijpt waar jij mee bezig bent en dus al eens een domme opmerking maakt. Of omdat ze andere onhebbelijke gewoontes heeft. Eén keer per jaar sta ik mezelf toe om uit te spreken wat ik op zo’n moment altijd denk maar nooit zeg, en dat is nu: koester ze, nu ze er nog is.

Ik ben me er ten volle van bewust dat ik ook nu weer het risico neem om te klinken als een PowerPointpresentatie met foto’s van Anne Geddes die in je mailbox belandt en doorgestuurd moet worden aan “10 echte vrienden” — moeders zijn trouwens vaak de eersten om zo’n mailtjes door te sturen. Maar doe gewoon even de moeite, als je dit leest, om je mama vandaag op te bellen of er langs te lopen. Gewoon, om haar stem te horen of in haar ogen te kijken en een glimlach uit te wisselen. Want geloof me, je zal het nog missen.

Mama

Over problemen en zorgen maken

Do you have a problem in your life? Then don't worry.

Vis Nummer Twee

Op mijn bureau op het werk staat een aquarium met twee goudvissen, geërfd van mijn voorganger. Een leuke erfenis, want het zijn behoorlijk vrolijke vissen, die het grootste deel van de tijd speels ronddartelen tussen de plantjes en zich wel lijken te amuseren in de paar liter water die ze ter hunner beschikking hebben.

Toen ik vanmorgen op kantoor kwam, werd er al heel wat minder gedarteld. Zo ongeveer de helft minder, om precies te zijn.

Vis Nummer Twee had het tijdens het weekend voor bekeken gehouden. Muisstil lag hij wat te dobberen in de visbak, afwisselend op z’n rug en op z’n zij.

Veel meer valt daar eigenlijk niet over te zeggen. Buiten dan misschien dat ik hem niet zo goed heb gekend als ik zou gewild hebben. Maar ook hier komt berouw na de zonde.

Het afscheid was alleszins ingetogen, respectvol en geheel volgens de geplogenheden — al ben ik wel blij dat niemand me heeft gezien terwijl ik na het doorspoelen een minuut stilte in acht nam aan de toiletpot.

Vis Nummer Twee

(En ik weet niet wat het de laatste tijd is met mij en beesten, maar ik zou uw kleine huisdieren en kinderen toch wat uit mijn buurt proberen te houden.)

Klein konijntje

“Keischattig, een klein konijntje”, riep de madame toen ze uit de auto stapte en er (effectief) een klein konijntje uit het struikgewas naast de oprit kwam gehuppeld. Dat het konijn in kwestie meteen onder de auto kroop en niet schichtig wegschoot richting hazepad, deed al niet veel goeds vermoeden. Dat het ook bleef zitten toen ik de handrem van de auto afzette en zijn nieuwe schuilplaats uit de weg duwde, nog veel minder.

Maar positief ingesteld als we zijn, waren we er geweldig hard van overtuigd dat het beestje gewoon ergens een traumatische ervaring had opgelopen — in het slechtste geval een gebroken pootje — en dat het snel weer helemaal goed zou komen. Goede zorgen, wat liefde, melk, en een dosis Google-zoekopdrachten genre “how to save a baby bunny“, meer had dat konijn niet nodig.

Snel een paar handschoenen uit de garage gehaald en Mister Rabbit met de nodige voorzichtigheid neergepoot in de tuin, op een plekje waar het rustig zou kunnen recupereren. Bijna hadden we het een naam gegeven. Bíjna. Maar nog voor je “volgens mij is er toch iets niet helemaal pluis met dat beest” kon zeggen, viel het om. Zomaar. Ineens.

“Het konijn is niet pluis”

Langoor zou het niet te lang meer trekken, zoveel was intussen duidelijk. Dan maar even de opties overwegen…

  1. Dierenarts bellen om het beestje te komen oplappen/laten inslapen.
  2. Doen alsof er niets gebeurd is, konijn terug in het struikgewas zetten en rustig uit het zicht laten creperen.
  3. Een hulplijn inschakelen.
  4. Emoties uitschakelen en het beest eigenhandig doodmeppen.

Optie 1 werd al meteen geschrapt na een korte kosten-batenanalyse — het is uiteindelijk maar een wild konijn dat het allicht toch niet zal halen. Om de tweede optie te overwegen moet je al een behoorlijke smeerlap zijn. Ergo: optie 2 was geen optie.

De hulplijn dan maar. “Papa, ziedegijdazitten om een ziek babykonijntje uit zijn lijden te komen verlossen”, hoor ik mezelf vragen aan de telefoon. Maar de stoere bink die mijn vader is lijkt op zo’n momenten plots erg op zijn zoon en blijkt ook maar een klein hartje te hebben — of was het andersom?

Soit. Enkele minuten later stond ik in dus een uithoek van de tuin een putje te graven.

Baby bunny

De foto hierboven is trouwens van het internet geleend — ik was niet meteen geneigd om zelf het fototoestel er bij te halen, zo vlak voor het voltrekken van de ultieme genadeslag. En ja, het konijn in kwestie vertoonde qua grootte en schattigheid heel wat gelijkenissen met bovenstaand geportretteerd geval.

De put was gedolven, en maar net op tijd ook. Konijnemans was intussen spartelend over het gras beginnen rollen. En ik ben misschien geen kenner, maar volgens mij was het niet van contentement.

Tijd voor actie. Mijn hart werd een steen, de madame ging naar binnen, het konijn ging in de put, de steekspade werd tussen hoofd en romp gepositioneerd en vervolgens met volle overgave naar beneden getrapt. Cold as ice, guillotine style.

Stuipje. Nog wel een mooie naam voor een konijn.