Rubriek: life

Rijbewijs

Zowat een maand geleden draaide er om halfzeven ‘s ochtends een aftandse Fiat Punto de parking op van de rijschool in Meise. Achter het stuur: yours truly in volledige moto-uitrusting, met knikkende knieën. Die dag zou ik namelijk mijn recent verworven stuurmanskunsten op een gemotoriseerde tweewieler demonstreren aan enkele erkende examinatoren.

Zo’n examen zal altijd wel het nodige geknik in de knieën met zich meebrengen, maar het was toch vooral mijn ongevalletje van enkele dagen eerder dat maakte dat ik er niet helemaal gerust in was.

Ardense vangrail

Tijdens een ritje in de Ardennen was mijn moto namelijk onzacht in aanraking gekomen met een vangrail. Een lange bocht naar links waarin ik halverwege door een enthousiast uitwijkende tegenligger moest corrigeren, en de rest is fysica — gecombineerd met een gebrek aan ervaring en, we gaan daar eerlijk in zijn, allicht ook een snuifje overmoed.

De details bespaar ik jullie, maar mijn TDM was er een pak slechter aan toe (en is dat nog steeds) dan ikzelf. Een fikse knauw in het zelfvertrouwen, dat is zowat het enige dat ik er aan overgehouden heb.

Maar dat verklaart dus wel enigszins de knikkende knieën op de dag van het examen — en het ongetwijfeld belachelijke zicht van de grote kerel in een kleine Fiat Punto, helemaal uitgedost in veiligheidskledij.

Het examen zelf liep, tegen alle verwachtingen in, van een leien dakje. Ik kreeg het even warm toen de examinator tijdens de technische controle vroeg waarom er speling moet zitten op de koppelingshendel — ik weet het, maar weten jullie het? — maar uiteindelijk werden zowel de manoeuvres als de proef op de openbare weg meer dan behoorlijk afgerond.

“Goede rit. Geen opmerkingen”, besloot de examinator. En dus mocht ik in het gemeentehuis een nieuw rijbewijs gaan halen, met extra stempeltjes in de eerste twee vakken.

Eerst had ik de moto, en nog geen uitrusting en rijbewijs.
Een jaar later is het precies andersom.

Hierzie, dingske!

Af en toe is er iemand die de moeite doet om het me te vragen, of ik vanzeleven nog ga bloggen. Meestal recht ik dan mijn rug, kijk ik ietwat verongelijkt en antwoord ik dat ik uiteráárd mijn blog terug nieuw leven ga inblazen.

“Bloggen is intussen stilaan zo old school dat het weer hip is. En ik vind het ook jammer dat haast niemand de moeite nog neemt om dingen te vertellen in meer dan twee slecht geschreven zinnen”, zeg ik dan. Of iets in die aard, zoals “Ik snap het wel hoor: een halve gedachte in een tekstvakje duwen en op het internet pleuren is ten slotte makkelijker dan zorgvuldig iets opbouwen in een blogpost.”

In werkelijkheid kom ik echter zelf niet verder dan gemiddeld één post per twee maand. Talking the talk, dat wel. Maar als de walk moet gewalkt worden, dan zie je me niet.

Dat heeft deels te maken met de Duistere Passagier die me op mijn weg vergezelt. Niet dat ik me ‘s avonds bezighoud met het doorsnijden van kelen en het in stukken snijden mijner medemens — de parallel met Dexter gaat ook maar zo ver — maar mijn donker kantje is bijwijlen erg prominent aanwezig. En dan begin ik al wel eens dingen neer te pennen die droevig, zwaar en overdreven dramatisch klinken en waar jullie eigenlijk geen zaken mee hebben, besef ik dan na het tikken.

Bovendien wordt het moeilijker om terug te beginnen bloggen naarmate je het minder doet. Gek eigenlijk, want je zou net denken dat hoe langer zo’n stilte duurt, hoe meer je te vertellen hebt. Daar komt dan nog eens bij dat zo’n herintrede ook best veel druk met zich meebrengt. Want het moet natuurlijk wel een beetje goed zijn — anders kan je even goed op een willekeurige krantensite wat willekeurige letters uit je toetsenbord persen.

Allemaal dingen waar ik royaal mijn voeten aan ga vegen. Want eigenlijk heb ik wel zin om hier eens wat vaker terug op te duiken. Ik weet intussen ook wel beter dan beloftes te verbinden aan zo’n uitspraken en daar dan achteraf schoorvoetend op te moeten terugkomen, dus houd ik het gewoon op “wat vaker”.

Goeie deal? Ik vind van wel.

Drie jaar

Een druilerige maandagmorgen. De wandeling naar het werk, door de straten van Antwerpen, is nog net iets troostelozer dan anders. De oortjes van mijn iPod fluisteren een lied dat altijd mijn onverdeelde aandacht krijgt. Om veel verschillende redenen, maar vandaag vooral omwille van deze zin:

Get to know your parents, you never know when they’ll be gone for good.

Iedereen klaagt wel eens over zijn moeder. Omdat ze zaagt. Omdat ze niet helemaal begrijpt waar jij mee bezig bent en dus al eens een domme opmerking maakt. Of omdat ze andere onhebbelijke gewoontes heeft. Eén keer per jaar sta ik mezelf toe om uit te spreken wat ik op zo’n moment altijd denk maar nooit zeg, en dat is nu: koester ze, nu ze er nog is.

Ik ben me er ten volle van bewust dat ik ook nu weer het risico neem om te klinken als een PowerPointpresentatie met foto’s van Anne Geddes die in je mailbox belandt en doorgestuurd moet worden aan “10 echte vrienden” — moeders zijn trouwens vaak de eersten om zo’n mailtjes door te sturen. Maar doe gewoon even de moeite, als je dit leest, om je mama vandaag op te bellen of er langs te lopen. Gewoon, om haar stem te horen of in haar ogen te kijken en een glimlach uit te wisselen. Want geloof me, je zal het nog missen.

Mama

Over problemen en zorgen maken

Do you have a problem in your life? Then don't worry.

Vis Nummer Twee

Op mijn bureau op het werk staat een aquarium met twee goudvissen, geërfd van mijn voorganger. Een leuke erfenis, want het zijn behoorlijk vrolijke vissen, die het grootste deel van de tijd speels ronddartelen tussen de plantjes en zich wel lijken te amuseren in de paar liter water die ze ter hunner beschikking hebben.

Toen ik vanmorgen op kantoor kwam, werd er al heel wat minder gedarteld. Zo ongeveer de helft minder, om precies te zijn.

Vis Nummer Twee had het tijdens het weekend voor bekeken gehouden. Muisstil lag hij wat te dobberen in de visbak, afwisselend op z’n rug en op z’n zij.

Veel meer valt daar eigenlijk niet over te zeggen. Buiten dan misschien dat ik hem niet zo goed heb gekend als ik zou gewild hebben. Maar ook hier komt berouw na de zonde.

Het afscheid was alleszins ingetogen, respectvol en geheel volgens de geplogenheden — al ben ik wel blij dat niemand me heeft gezien terwijl ik na het doorspoelen een minuut stilte in acht nam aan de toiletpot.

Vis Nummer Twee

(En ik weet niet wat het de laatste tijd is met mij en beesten, maar ik zou uw kleine huisdieren en kinderen toch wat uit mijn buurt proberen te houden.)